Menu Sidebar
Menu
samenwerken_cooperatie

Samenwerken in een coöperatie.

We zijn aan het verkennen of we van Eyckveld een werknemerscoöperatie kunnen maken. Een coöperatie is een door de werknemers geleid bedrijf.  De rechtsvorm lijkt onze waarden en werkwijzen beter te ondersteunen dan een bv of vof. Het model accommodeert ook goed een situatie met verschillende kennis- en ervaringsgebieden.

Waarom een coöperatie?

Een belangrijk doel van Eyckveld is de ontwikkeling van oplossingen ter ondersteuning van het functioneren en het welzijn van eindgebruikers. Volgens ons is integratie van gedragsonderzoek en bouwkunde daarbij essentieel. In gesprekken hierover op de werkvloer komt daarbij steeds terug dat een goede voedingsbodem voor integraal werken komt uit een platte hiërarchie en gelijke belangen en interesses. We voelen ons te veel bekneld in traditionele werkstructuren met aandeelhouders, managers en werknemers en zoeken hiervoor een betere oplossing. Hoe minder formele machtsstructuren, hoe beter de organisatie lijkt te werken.

Er is een organisatorisch kader nodig geschikt voor waardeontwikkeling op basis van een egalitaire samenwerking. We zoeken naar mogelijkheden om het team als geheel te versterken en beter te laten functioneren dan alleen de som van alle leden. Door middel van het coöperatie model hopen we dit te bereiken doordat het doorgaans leidt tot een grotere betrokkenheid en spontaniteit in gedrag van werknemers. Werknemers worden in het model partners, met gelijke stemrechten.

 

Het doel is een cultuur te kweken waarbij partners vrij elkaar opzoeken en versterken.

 

De impuls aan betrokkenheid en eigenaarschap moet onze integrale werkwijze  gaan ondersteunen. Het doel is een cultuur te kweken waarbij partners vrij elkaar opzoeken en elkaar versterken, op basis van eigen initiatief en nieuwsgierigheid, gedreven door hetzelfde gezamenlijke doel en belang. Innovatie, creatieve toegepaste oplossingsontwikkeling en kennisgroei is de heilige graal van het succes van Eyckveld. Door middel van het coöperatie model willen we dit succes nog groter maken.

De opzet van de coöperatie.

Het bureau wordt democratisch geleid; er komt geen formele leiderschapsstructuur. Hierdoor hopen we ook op de langere duur meer stabiliteit te genereren en beter te kunnen vertrouwen op het crowd collective als raadgever. Er zijn wel projectleiders die fungeren als aanspreekpunt voor onze klanten en voorzitter van elke projectgroep. Zonder projectleiders raken we te veel efficiëntie kwijt. Projectleiders rouleren en worden aangesteld per project op basis van algemene stemmen.

Winst wordt eerlijk verdeeld over alle partners naar ratio van inzet in elk tijdvlak, waarschijnlijk per zes of drie maanden. Dat biedt ook de mogelijkheid aan partners om een periode minder te willen werken of tijd te besteden aan een andere activiteit. Dit kan de ontwikkeling van inzichten uit nevengebieden stimuleren, waar we als collectief ook weer wat aan hebben.

Naast de organisatorische doelen zit er ook een sociaal aspect aan de keuze voor een coöperatie. Ons leven in Nederland wordt in toenemende mate onzeker. Door middel van de coöperatie kunnen we als het bureau wat is gegroeid gezamenlijk een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenfonds opzetten. Op die manier levert het bureau ook aan partners een dubbele vorm van bestaanszekerheid; naast een inkomen en een inhoudelijk platvorm voor zelfontwikkeling ook een sociaal vangnet.

Uitdagingen

De grootste uitdaging voor ons in de aankomende maanden is ons aannamebeleid. Coöperaties bestaan bij de gratie van de leden. De keuze wie we toelaten moet echt een zeer weloverwogen en nauwkeurig karakter krijgen. Op dit moment hebben twee belangrijke brede selectie criteria: financiële onafhankelijkheid en inhoudelijke  expertise. We zoeken mensen die minimal 2 jaar in eigen inkomen hebben verzien, omdat we op dit moment nog geen dedicated acquisitie en sales leden hebben in het team.

Daarnaast is inhoudelijke expertise ontzettend belangrijk. We zoeken mensen die breed zijn ontwikkeld en op 1 terrein ook heel veel specialistische kennis meenemen. Vaardigheden belangrijk: omdat leden meedraaien in zowel onderzoek als ontwerpteams moeten toekomstige partners affiniteit hebben met beide werk- en denkwijzen. Hierbij moeten zij in ieder geval op 1 terrein echt kunnen presteren. Lijkt het je leuk om mee te denken over deze ontwikkeling? Neem contact op of laat een reactie achter, ik hoor graag hoe je erover denkt.

ma yansong stad schaal

MAD Architects Ma Yansong: een nieuw structuralisme?

Op Archdaily staat een interview met MAD architect Ma Yansong. In het interview legt Ma Yansong uit dat moderne, hedendaagse steden een schaal hebben gekregen die niet meer overeenkomt met wat we aantreffen in de natuur. Een nieuwe aanpak is nodig waarbij er een betere balans kan ontstaan tussen de mens en de natuurlijke wereld. Hoe kan deze balans worden ontwikkeld?

 

Ontwerpen voor de omgeving

Als we ontwerpen vanuit een omgevingsvisie met het welzijn van gebruikers in het achterhoofd gaat het discours nu vooral over energiebesparing, verminderde aantasting van het milieu en verbeteren van de duurzaamheid. Bij al deze onderwerpen heeft innovatieve techniek en technische toepassingen de hoofdrol. Een beter technisch gebouw betekent helaas niet automatisch dat de gebruiker zich ook prettiger voelt: in het weekend willen mensen nog steeds de stad uit en de natuur in. Volgens Ma Yansong is dit een belangrijk punt wat we nu missen: mensen zijn onvoldoende verbonden met de natuur. Technische ontwikkelen zijn niet de oplossing. We moeten meer de natuur in de stad laten komen door onze drang naar controle over het perfecte binnenklimaat misschien te laten varen.

mad bomen flat

Moderne steden draaien volgens Ma Yansong teveel om efficiency, logica, en verkeer. De ontwikkeling van de stad wordt teveel gedirigeerd door financiële belangen. De mogelijkheid om welzijn in gebouwen te vergroten is beperkt doordat dit ogenschijnlijk financieel niet rendabel is. Een daktuin in een wolkenkrabber is bijna onmogelijk om te realiseren; niet omdat het technisch een te grote uitdaging is maar omdat het niet duidelijk is wie ervoor betaalt. Als de grondprijs hoog is, komt er minder ruimte beschikbaar voor ruimte waarin geen huur kan worden gecollecteerd. Misschien is een oplossing om dan maar nog hoger te gaan bouwen, zodat het aantal verdiepingen per vierkante meter landoppervlak toeneemt en we meer ruimte kunnen ‘weggeven’ aan natuurlijke elementen.

Als gebouwen groter worden, worden bergen en bomen relatief kleiner zegt Ma Yansong. Parken hebben steeds minder effect omdat de relatieve afmeting van deze groene plekken daalt. Mensen hebben groene ruimte nodig, maar als gebouwen alsmaar groter worden zullen we nooit natuur een belangrijke plek in onze stedelijke omgeving kunnen geven. De oplossing zit erin om het gebouw zelf te gaan behandelen als een landschapselement. De discussie kan worden verlegt van een splitsing tussen stad en natuur naar een integratie van beide in één totaalbeeld. Een probleem wat wel over blijft is een verschil in schaalniveau tussen wat de mens op straatniveau beleefd en het schaalniveau van de stedenbouwkundige.

 

Groen structuralisme

mad shan shiu city

Misschien ligt een oplossing in een vorm van structuralisme waarbij nieuwe stedelijke patronen worden ontwikkeld met daarin continu ruimte voor natuurlijke elementen. In het gebouwontwerp wordt de ontwikkeling van inter-stedelijke natuurgebieden een vast element. Het is vergelijkbaar met onze natuurstructuur in de Randstad waarbij lokale natuur gebieden met elkaar worden verbonden om zo een groot interstedelijk natuurgebied te vormen. Een gelijksoortige opzet binnen een gebouwstructuur kan ook worden gerealiseerd.

De ontwerpen van MAD kunnen hiervoor een mooi startpunt zijn. Verplaats de liften vanuit de kern van het gebouw naar de buitenzijde. Laat de lift niet op elke verdieping stoppen maar op elke derde verdieping: op die manier stimuleren we lokale gemeenschapsontwikkeling doordat mensen moeten lopen in het gebouw om op hun bestemming te komen. De gebruiker wordt blootgesteld aan verschillende ervaringen, micro-culturen en identiteiten van andere groepen mensen. Omdat de structurele kern naar de buitenzijde is verplaatst wordt de binnenkant ook buitenkant. Binnen ontstaat ruimte voor tuinen op elke derde verdieping. Vandaar loop je een verdieping naar boven of beneden. Deze interne ruimte kan gelijktijdig functioneren als sociale ontmoetingsruimte en als ontspanningsruimte.  De leefbaarheid neemt toe en het gebouw heeft een lagere compactheid door de openingen op elke derde verdieping.

winkelcentrum_openbare_omgeving

Uitnodigen om te lopen in de openbare omgeving

Een recente publicatie in Environment and Behavior laat zien dat een gevoel van veiligheid en een mooie omgeving bezoekers kan verleiden om meer te lopen. Dit kan relevant zijn voor de ontwikkeling van omgevingen waarin lopen of penetreren van de omgeving een belangrijke doelfunctie is, zoals  bij parkeergarages, winkelcentra, stations en attracties in amusementsparken.

De studie onderzocht hoe de perceptie van de nabijheid en de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte, de omliggende gebouwde omgeving en de configuratie van de straat werden geassocieerd met het lopen naar en binnen de openbare ruimte. Bewoners uit drie wijken in Melbourne vulden een vragenlijst in over hun loopgedrag en over hun percepties op hun buurt. Verschillende perceptuele kwaliteiten van de gebouwde omgeving, met inbegrip van veiligheid voor criminaliteit en verkeer en esthetiek, werden geassocieerd met een wandelen over een grotere regio.

Space Syntax Analyse

Interessant aan de studie was de toevoeging van space syntax analyse als onafhankelijke variabele. De onderzoekers gebruikten metingen van de mate van integration en control om de gevonden resultaten te compenseren voor de structuur van de woonwijk.  Integratie meet hoeveel afslagen mensen moeten maken op een straat-segment om alle andere straat segmenten te bereiken in het netwerk, met behulp van kortste verbindingen. Controle meet de mate waarin een ruimte toegang regelt tot haar directe buren, rekening houdend met het aantal alternatieve verbindingen dat elk van deze buren heeft. De resultaten lieten zien dat die mensen die op straat segmenten woonden met hoge controle en hoge lokale integratie minder wijdverspreid loopgedrag melden vergeleken met mensen die op straat segmenten woonden met lage controle en lage lokale integratie. Dit is te verklaren: als mensen makkelijker op bestemmingen kunnen raken en/of makkelijker beweging kunnen observeren worden ze minder verleid of aangetrokken om bredere looppatronen te maken.  Meer elaborale looppatronen in deze context zijn namelijk, vanuit functioneel oogpunt, niet perse noodzakelijk.

Conclusie

Als we omgevingen willen maken die mensen uitnodigen om gebruik te maken van de omgeving en in de omgeving te gaan lopen is het belangrijk om gebruikers het gevoel te geven dat ze veilig zijn t.o.v. criminaliteit en verkeer, en dat ze de omgeving esthetisch plezierig vinden. Omgevingen met een hoge observeerbaarheid (controleerbaarheid) en een makkelijke verbinding tot alle mogelijke bestemmingen reduceert lopen in de omgeving. Perceptie en straatconfiguratie zijn belangrijke stedenbouwkundige kwesties om mensen te motiveren om in de omgeving te gaan wandelen.

 Bron:
  • Koohsari, M.J., Karakiewicz1, J.A. & Kaczynski A.J. (2012). Public Open Space and Walking: The Role of Proximity, Perceptual Qualities of the Surrounding Built Environment, and Street Configuration. Environment and Behavior, 45(6), 706–736.
innovatie architectuur eyckveld building senses

Leren van product innovatie

Bedrijven luisteren vaak naar hun consumenten om te leren van ervaringen en om mogelijkheden te ontdekken voor product innovatie. Wat kan hier allemaal bij misgaan? En: kunnen we bij het ontwikkelen van nieuwe gebouwen of het evalueren van bestaande bouw hier iets van leren?
Geef mensen wat ze nodig hebben en het wordt een instant succes. Helaas, de praktijk is weerbarstiger. Miljoenen worden gespendeerd aan surveyonderzoek en focusgroepen om input te generen voor R&D teams, die hard aan het werk zijn om de klant te geven wat zij wil. Vervolgens wordt verdrietig geconstateerd dat de klant, die toch wist wat zij nodig had, het product uiteindelijk niet koopt. Waardoor kan dit komen? Volgens Anthony Ulwick komt het omdat bedrijven niet goed luisteren. Dit ondermijnt innovatie en uiteindelijk de winstgevendheid van een bedrijf.

 

 

Vraag niet wat de consument nodig heeft, maar wat hij wil bereiken.

Anthony Ulwick is de CEO van Strategyn, een adviesbureau voor product innovatie. Zijn firma vraagt zelden naar wat voor een product de gebruiker nodig heeft, maar wel naar wat voor een uitkomst de gebruiker wil hebben. Wat moet een nieuw product of dienst voor de gebruiker kunnen leveren? De manier waarop de uitkomst wordt geleverd is een vraag voor gespecialiseerde onderzoekers of ontwerpers om op te lossen, niet de klant.

“Customers should not be trusted to come up with solutions; they aren’t expert or informed enough for that part of the innovation process.”

 

De klant is in principe niet geschikt om na te denken over de oplossing. De reden voor deze redenering is dat klanten niet geschikt zin om input te leveren over de oplossing door een gebrek aan kennis of ervaring. Klanten vormen een slechte informatiebron voor dit onderwerp en vragen over de oplossingen moeten daarom niet worden gesteld aan de gebruiker.

 

We moeten weten wie en hoe we vragen.

Met het luisteren naar gebruikers gaan vaak dingen mis. Een gevaar schuilt in het te veel exact leveren wat de gebruiker vraagt. Het probleem is hierbij dat veel gebruikers opties opnoemen die andere fabrikanten al reeds leveren. De gebruiker denkt hierbij niet vanuit zijn eigen perspectief, maar vanuit het perspectief van wat er beschikbaar is op de markt. Door niet kritisch te zijn naar welke input de gebruiker levert zou het kunnen dat de fabrikant alleen tijd investeert in eigenschappen die concurrenten al leveren, en daarbij een onderscheidend vermogen misloopt.

Vaak voorkomende problemen:

Te veel exact leveren wat de gebruiker vraagt.

Luisteren naar een te beperkte groep gebruikers.

Verwachten dat gebruikers altijd vernieuwing zoeken.

 

Een ander vaak voorkomend probleem is het luisteren naar een te nauwe groep gebruikers. Het komt vaak voor dat deze groep is geselecteerd om haar gespecialiseerde of uitgebreide kennis. Bij het ontwerp van een nieuw apparaat hebben deze gebruikers de meeste kennis, en kunnen zij in eerste instantie de meeste informatie opleveren: een gunstige verhouding in termen van geïnvesteerde tijd versus opbrengst. Maar omdat zij niet representatief zijn voor de gemiddelde gebruiker kan het dat de producten die ontstaan op basis van deze input voor de meeste gebruikers niet aantrekkelijk zijn.

Ten slotte is het vaak ironisch dat veel gebruikers simpelweg niet zitten te wachten op vernieuwing. Gebruikers schuwen soms vernieuwing omdat het leidt tot verhoogde kosten of kosten voor upgrades (in het geval van software). Bovendien maken veel gebruikers slechts gebruik van een deel van alle functies die een product levert. Daarbij zoeken ze niet nog meer uitbreiding van, in de ogen van de gebruiker, nutteloze toevoegingen.

 

Ook aan luisteren zit een limiet.

Ook met bovenstaande problemen in overschouw genomen blijven er twee psychologische limieten bestaan bij het bevragen van gebruikers. Het eerste limiet schuilt in functionele fixatie: de tendens van gebruikers om zich te fixeren op de manier waarop producten of diensten normaal gesproken worden gebruikt. Het gevolg is dat mensen geblokkeerd raken in het verbeelden van alternatieve functies voor bestaande producten.

Een ander limiet bestaat uit het gegeven dat mensen niet altijd in staat zijn om oplossingen te bedenken voor problemen omdat zij blijkbaar tegenstrijdige behoeften hebben. Een medewerker in een kantoor wil bijvoorbeeld graag geconcentreerd kunnen werken maar niet volledig vrij zijn van contact op de werkvloer. Vragen naar benodigdheden in plaats van oplossingen lost beide blokkades op.

 

Kunnen wij als ontwerpsector leren van de industrie?

De research en development praktijk is een snel veranderende sector, gevoed door durfkapitaal en publiek-privaat samenwerkingen met universiteiten. Architecten maken verbluffend weinig gebruik van de kennis die circuleert in deze sector. Is er een mogelijkheid om de effectiviteit van gebruikersonderzoek ook toe te voegen aan de dagelijkse ontwerppraktijk? Het kan de effectiviteit van onze ontwerpen mogelijk sterk verhogen.

Er zijn op dit moment nauwelijks benchmarks voor de kwaliteit van gebouwen: systematische evaluatie van gebouwen wordt niet uitgevoerd. Er bestaan ook weinig initiatieven voor evaluaties van gebouwen. De discussie binnen de architectensector draait daarbij vaak om stijl en vorm, over het algemeen eindigend in de vraag of een gebouw valt onder architectuur of niet. Het gevolg is dat de ontwerper en de ontwikkelaar niet kunnen worden geconfronteerd met een slecht functionerend eindresultaat. Daarbij is er vaak een diffuse situatie waarbij de eigenaar van een gebouw de schuldvraag bij matig functionerende gebouwen legt bij de architect, en de architect de schuldvraag legt bij de gebruiker. Wat we nodig hebben zijn partners op het vlak van ontwerpen, projectorganisatie en gebruik die samen willen werken aan goed functionerende gebouwen. Als we dit voor elkaar krijgen zijn de mogelijkheden voor innovatie binnen de architectuur groot.

 

Tip: Eyckveld begeleidt en en organiseert gebruikersparticipatie processen voor het leveren van input op het ontwerpproces en voor input bij het opstellen van het programma van eisen.

Bronnen:

Ulwick, A.W. (2002). Turn Customer Input into Innovation. Harvard Business Review, januari 2002, 91-97.

 

street

Openbare ruimte in islamitische samenlevingen

In islamitische samenlevingen verschilt de opvatting ‘publieke en private ruimte’ van westerse samenlevingen. In westerse samenlevingen is de openbare ruimte toegankelijk voor alle leden van de samenleving. Privé ruimte is gereserveerd voor het individu, het huishouden of een aangewezen groep. Dit concept is niet direct vertaalbaar naar de islamitische notie van publieke en private ruimte. Het is daarom handig om hier bij het ontwerpen voor mensen uit een islamitische cultuur rekening mee te houden.

 

In de islamitische samenlevingen wordt openbare ruimte gezien als mannelijk ruimte, ook wel bekend als umma. Private ruimte wordt juist vaak gezien als vrouwelijke ruimte. Deze islamitische versie van de publieke en private ruimte is gevormd in het licht van de islamitische begrippen mahran en namahran. Maharan wijst op een categorie mensen met wie het huwelijk niet is toegestaan, meestal betekent dit het eigen gezin en nauwe verwanten. Namahran wijst op een categorie van mensen van het andere geslacht waarmee een huwelijk wel is toegestaan. Deze groep bestaan dus uit potentiële partners. Maharan en namahran zijn belangrijke sturende elementen voor de opvattingen over de openbare ruimte.

 

Voor mensen uit islamitische samenlevingen is het delen van ruimte met mensen die namahran zijn problematisch. Ruimte heeft culturele beperkingen op basis van de mogelijkheid voor het ontmoeten van namahran mensen. Vanwege deze reden gaat is de islamitische opvatting over publieke ruimte heel anders dan de westerse opvatting. In plaats daarvan wordt een differentiatie gebruikt op basis van mogelijke interacties in de ruimte. Omdat ruimtes buiten het huis een grotere kans bevat om een namahran te ontmoeten, kent deze ruimte ook meer beperkingen. De koran moedigt bijvoorbeeld vrouwen aan om zich bescheiden te kleden door het zoveel mogelijk bedekken van het lichaam.

 

Fysieke scheiding van mannen en vrouwen is een andere manier om het contact tussen mahran en namahran te voorkomen. Segregatie maakt het mogelijk dat bewegingen van mannen en vrouwen worden gecontroleerd en ontmoetingen worden voorkomen. Fysieke scheiding kan in de meeste aspecten van het openbare en sociale leven worden gevonden. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende compartimenten voor mannen en vrouwen in het openbaar vervoer, verschillende wachtruimtes en aparte winkelcentra exclusief voor vrouwen.

 

Omdat de westerse opvattingen over openbare ruimte niet hetzelfde is als openbare ruimte in islamitische samenlevingen dient de omgeving soms te worden aangepast aan het islamitische perspectief. Dit geld uiteraard met name in landen waar de islamitische godsdienst de norm is, zoals in het Midden-Oosten. De omgeving dient aan de gebruiker te communiceren welke gebieden zijn gespecificeerd voor mannen, vrouwen en gezinnen. Verschillende gebedsruimtes voor mannen en vrouwen moeten bijvoorbeeld worden vermeld op kaarten en wegwijzers. Architectuur kan de scheiding tussen Mahran en namahran helpen door het verstrekken van verschillende ruimtes voor beide geslachten. De aanpassing van de architectuur aan de islamitische cultuur resulteert in een betere functionaliteit en een prettigere beleving vanuit de eigen culturele (islamitische) achtergrond.

 

Meer lezen? Zie ook dit artikel van Carolyn Whitten: ‘When Cultures Collide: Planning for the Public Spatial Needs of Muslim Women in Sydney’ 

 

Older Posts

Building Senses

Google translate this post

EnglishFrenchGermanItalianPortugueseRussianSpanish

Welcome!

I write about environmental psychology and architecture. My usual subjects are around research findings, use and development of theory, new methodological approaches and experiences at Eyckveld. I hope I can interest you and maybe also educate you a bit about environmental psychology and the context In which we are developing Eyckveld into an office for behavioral research and architecture.



Wouter Tooren is an environmental psychologist, lecturer and entrepreneur. He is one of the founders and principal partners of Eyckveld. He holds an MSc in cognitive psychology from the University of Amsterdam and is pursuing another MSc in architecture at Delft University.

Vul uw email adres in om nieuwe berichten automatisch te ontvangen.