Close

MAD Architects Ma Yansong: een nieuw structuralisme?

Op Archdaily staat een interview met MAD architect Ma Yansong. In het interview legt Ma Yansong uit dat moderne, hedendaagse steden een schaal hebben gekregen die niet meer overeenkomt met wat we aantreffen in de natuur. Een nieuwe aanpak is nodig waarbij er een betere balans kan ontstaan tussen de mens en de natuurlijke wereld. Hoe kan deze balans worden ontwikkeld?

 

Ontwerpen voor de omgeving

Als we ontwerpen vanuit een omgevingsvisie met het welzijn van gebruikers in het achterhoofd gaat het discours nu vooral over energiebesparing, verminderde aantasting van het milieu en verbeteren van de duurzaamheid. Bij al deze onderwerpen heeft innovatieve techniek en technische toepassingen de hoofdrol. Een beter technisch gebouw betekent helaas niet automatisch dat de gebruiker zich ook prettiger voelt: in het weekend willen mensen nog steeds de stad uit en de natuur in. Volgens Ma Yansong is dit een belangrijk punt wat we nu missen: mensen zijn onvoldoende verbonden met de natuur. Technische ontwikkelen zijn niet de oplossing. We moeten meer de natuur in de stad laten komen door onze drang naar controle over het perfecte binnenklimaat misschien te laten varen.

mad bomen flat

Moderne steden draaien volgens Ma Yansong teveel om efficiency, logica, en verkeer. De ontwikkeling van de stad wordt teveel gedirigeerd door financiële belangen. De mogelijkheid om welzijn in gebouwen te vergroten is beperkt doordat dit ogenschijnlijk financieel niet rendabel is. Een daktuin in een wolkenkrabber is bijna onmogelijk om te realiseren; niet omdat het technisch een te grote uitdaging is maar omdat het niet duidelijk is wie ervoor betaalt. Als de grondprijs hoog is, komt er minder ruimte beschikbaar voor ruimte waarin geen huur kan worden gecollecteerd. Misschien is een oplossing om dan maar nog hoger te gaan bouwen, zodat het aantal verdiepingen per vierkante meter landoppervlak toeneemt en we meer ruimte kunnen ‘weggeven’ aan natuurlijke elementen.

Als gebouwen groter worden, worden bergen en bomen relatief kleiner zegt Ma Yansong. Parken hebben steeds minder effect omdat de relatieve afmeting van deze groene plekken daalt. Mensen hebben groene ruimte nodig, maar als gebouwen alsmaar groter worden zullen we nooit natuur een belangrijke plek in onze stedelijke omgeving kunnen geven. De oplossing zit erin om het gebouw zelf te gaan behandelen als een landschapselement. De discussie kan worden verlegt van een splitsing tussen stad en natuur naar een integratie van beide in één totaalbeeld. Een probleem wat wel over blijft is een verschil in schaalniveau tussen wat de mens op straatniveau beleefd en het schaalniveau van de stedenbouwkundige.

 

Groen structuralisme

mad shan shiu city

Misschien ligt een oplossing in een vorm van structuralisme waarbij nieuwe stedelijke patronen worden ontwikkeld met daarin continu ruimte voor natuurlijke elementen. In het gebouwontwerp wordt de ontwikkeling van inter-stedelijke natuurgebieden een vast element. Het is vergelijkbaar met onze natuurstructuur in de Randstad waarbij lokale natuur gebieden met elkaar worden verbonden om zo een groot interstedelijk natuurgebied te vormen. Een gelijksoortige opzet binnen een gebouwstructuur kan ook worden gerealiseerd.

De ontwerpen van MAD kunnen hiervoor een mooi startpunt zijn. Verplaats de liften vanuit de kern van het gebouw naar de buitenzijde. Laat de lift niet op elke verdieping stoppen maar op elke derde verdieping: op die manier stimuleren we lokale gemeenschapsontwikkeling doordat mensen moeten lopen in het gebouw om op hun bestemming te komen. De gebruiker wordt blootgesteld aan verschillende ervaringen, micro-culturen en identiteiten van andere groepen mensen. Omdat de structurele kern naar de buitenzijde is verplaatst wordt de binnenkant ook buitenkant. Binnen ontstaat ruimte voor tuinen op elke derde verdieping. Vandaar loop je een verdieping naar boven of beneden. Deze interne ruimte kan gelijktijdig functioneren als sociale ontmoetingsruimte en als ontspanningsruimte.  De leefbaarheid neemt toe en het gebouw heeft een lagere compactheid door de openingen op elke derde verdieping.

Dromen van oude ontwerpwaarden

Afgelopen week stond in de weekendbijlage van de NRC een interview met ontwerper Friso Kramer geschreven door Rinskje Koelewijn. Het thema van het interview was dat ontwerpers onzichtbaar dienen te zijn. Het artikel gaf een ontroerende schets van een van Nederlands belangrijkste ontwerpers die zijn werk belangrijker vindt dan zichzelf.

 

 “Een ontwerp moet zichzelf wegontwerpen”

 

Voor wie Friso Kramer niet kent: hij is de ontwerper van vele alledaagse voorwerpen die ons leven makkelijker maken, voorwerpen zoals straatlantaarns, brievenbussen, stoelen, tafels en meer.  Altijd vanuit de filosofie dat de ontwerper onzichtbaar dient te zijn: de gebruiker mag nooit last hebben van een ontwerp. Een ontwerp moet volstrekt functioneel en dienend zijn, en niet onnodig duur.

 

 “Een ontwerp dient de gelegenheid te scheppen waardoor het individu zich, bij gebruik ervan, maxiamaal kan ontwikkelen.”

 

Ik raak warm als een ontwerper de sociale uitgangspunten centraal stelt. Missen we als gebruiker en collectief als samenleving niet enorm de sociaal dienstige ontwerper? Ontwerpers die als uitgangspunt hebben het oprechte streven naar ondersteuning van gebruikers in tegenstelling tot het winnen van prijzen of het najagen van schoonheid. Ambitie om te dienen in plaats van om te leiden. Het leidt misschien niet tot een uitnodiging voor bij de wereld draait door, maar het zal waarschijnlijk wel meer mensen blij maken. Want wat is schoonheid waard als het je waardeloos laat voelen? Wat hebben we aan een futuristisch iconisch bankgebouw als het niet past in een voormalige arbeiderswijk? Is een bibliotheek wel echt nuttig als door al haar toegevoegde functies ongestoord lezen moeilijker wordt om te doen?

 

 

Bauhaus en Modernisme.

De ontwikkeling van Friso Kramer ligt geworteld in de Bauhaus stroming, een van de pijlers onder het modernisme. De periode waarin het modernisme de basis legde voor haar identiteit en erkenning lag in de jaren twintig van de vorige eeuw (Curtis, p. 686). Deze periode vertegenwoordigt een tijd waarin nieuwe basisprincipes werden bewerkstelligd en grondregels werden gezocht om om te gaan met een nieuwe industriële werkelijkheid. De generatie na de eerste wereldoorlog met ontwerpers zoals Le Corbusier, Walter Gropius en Mies van der Rohe zocht naar manieren om grip te krijgen op de nieuwe wereld.

Wat deze generatie deelde was een ongelofelijk optimisme in de mogelijkheid om architectuur en industriële vormgeving te gebruiken om de maatschappij te verbeteren. De misvatting die hier inherent in lag was het idee dat de ontwerper in staat is om de gebruiker te dirigeren naar het ervaren van een beter leven. Geen enkel ontwerper kan een gebruiker aanzetten tot massale gedragsverandering, hoogstens lukt het om gewoonten te doorbreken. Ontwerpstromingen zijn net zo een product van onze maatschappij zelf als een instrument om mensen te veranderen. Beide worden verbonden door een abstract begrip dat we cultuur noemen.

Het is in dit licht dat we met verbazing terug kunnen kijken op bijvoorbeeld de ideeën van Le Corbusier voor een moderne stad,waarin burgers leven in massaal opgezette hoogbouwwijken rn waarin de auto het verbindend element is tussen werk, huis en ontspanning. De moderne mens als kleine machientjes, gevoed door zorgvuldig georganiseerde aanvoerlijnen. Bizar achteraf, want waar is het sociale component? Waar is de cultuur? Maar de ideeën van Corbusier kwamen voort uit de geest van de tijd, wat niets afdoet aan de genialiteit van de grootmeester zelf. Wat mistte in die tijd was realisme. Wat we kwijt zijn geraakt is het optimisme dat ontwerpers iets van waarde kunnen toevoegen aan het leven van mensen.

 

 

Post-modernisme en liberalisme, waar ging het mis?

Het postmodernisme rekende zorgvuldig af met het optimisme uit het modernisme.  Het idee dat ontwerpen iets van waarheid of authenticiteit kan bevatten werd op losse schroeven gezet. Het gebruik van wetenschapelijke methoden werd in diskrediet gebracht. Vooruitgang door middel van architectuur raakte uit de gratie, wat misschien ook wel begrijpelijk is vanwege de vaak begeleidende docerende en moralistische ondertoon. Want wat is vooruitgang als het, zoals vaak gebeurde, samengaat met een ideologie zoals marxisme, christendom of kapitalisme? In dat geval is het niet voortuitgang maar verandering van richting. Het idee dat je duurzaam kan veranderen door middel van ontwerpen van de omgeving verloor haar waarde.

Tegelijkertijd zagen we het verdere volwassen worden van het liberalisme met marktwerking als voornaamste drijfveer. Het gevolg is dat Nederland op dit moment architectonisch gezien een natie is bezaaid met dozen. Kleine dozen, grote dozen, ronde dozen, vierkante dozen. Dozen van steen, dozen van hout, dozen met veel ramen en dozen met weinig ramen. Industrieparken, woonwijken, bedrijventerreinen: allemaal bestaan ze uit dozen. Projectmatig en snel geproduceerde bouw, waarbij marktwerking kostenreductie propagandeert met daarmee een sterke focus op standaardisatie.

Wat het geheel nog bizarder maakt is dat het postmodernime in feitte een slechte recycling is van het modernisme. De dozen die we in Nederland massaal plaatsen zijn allemaal geknipt en geplakt van creaties die in de oorsprong stammen uit de jaren 20. Wat we vergeten zijn in het huidige postmodernisme, is dat if anything goes, dit niet hoeft te betekenen dat alles dan ook maar moet.  Het hebben van een maatschappelijke visie en uitgangspunt voor een ontwerp is in deze tijd van identiteitsvervaging enorm belangrijk.

 


 

Social Value

Wat we nodig hebben is niet nog een ideologie die onze inrichtingen kan sturen, geen democratische principes (weet iemand wel wat dat is, een democratisch principe voor architectuur),  niet een heropleving van het socialisme of een digitale revolutie vol met modellen van Zaha Hadid. Wat we nodig hebben zijn waarden waarvan we kunnen zeggen dat we die belangrijk vinden als uitgangspunt voor ons handelen. En misschien is dat ook wel waarom het interview met Friso Kramer mij zo raakt. Hij legt niet uit waarom zijn ontwerpen goed zijn, waarom hij een plekje verdient in de geschiedenis, maar hij legt uit met welke waarden in zijn achterhoofd hij heeft ontworpen. En hij staat zichzelf toe dat hij deze waarden verdedigd.

Dan rest de vraag, wat is waardevol? Waarde zoals ik het zie wordt niet gecreëerd door uiterlijk of opvallendheid, maar door functionaliteit voor de gebruiker. Vriendelijkheid, sociaal bezig zijn voor elkaar. Op zoek zijn naar wat de gebruiker nodig heeft, wat hem ondersteunt, zonder dat hij daarbij de hoofdprijs betaald. Dat is wat mij motiveert om te werken elke dag. Op zoek gaan naar de radertjes waardoor de gebruiker van een ontwerp beter zijn doelen kan halen; of dat nu het vinden van de weg betreft of het kopen van een treinkaartje. En het liefst zonder dat hij door heeft dat erover is nagedacht.

Soms betekent dat esthetica belangrijk is, bijvoorbeeld bij het ontwerpen van een meditatieruimte. Soms is esthetica even minder belangrijk en moet iets vooral opvallen, zoals bij het ontwerpen van de bewegwijzering. Maar altijd staat een open belangstelling voor wat de gebruiker nodig heeft centraal.

 

 

Foto stoelen via midmod-design.

(1) Curtis, W.J.R. (2007). Modern Architecture Since 1900. New York: Phaidon Press Inc.

Eerdere posts: |  Erik Spiekermann over het kantoor van de toekomst  |  Gebruikersparticipatie in de zorg  |

Omgevingspsychologie: lopen we in cirkels?

Hoe ver zijn we gekomen met de omgevingspsychologie? Kunnen we iets leren uit het verleden of maakt het ons alleen maar depressief?

Ik herlas vorige week stukken uit het boek van Robbert Sommer: Personal Space. Personal Space is een belangrijk boek over user de toepassing van user centred design bij het ontwerpen van publieke gebouwen. Het boek beschrijft de relaties tussen afstand en gedrag. Een belangrijk idee in het boek is bijvoorbeeld het concept van de ruimtelijke bubbel die mensen om zich heen hebben. Mensen voelen zich prettig bij verschillende afstanden tussen elkaar. Bij kleinere of grotere afstanden dan dit optimum creëert dit gevoelens van opwinding en stress. Bij de laatste editie van het boek zijn een serie introducties opgenomen om nieuwe inzichten van de auteur te plaatsen bij de originele ideeën beschreven in het boek. Een van deze inzichten gaat als volgt:

My naive dream, shared by many others at the time, was that every large design office would have a psychologist on staff or as a consultant, and this would provide behavioural input on projects along with jobs for environmental psychologists.

Hij vervolgt met een beschrijving dat deze droom gedeeltelijk is uit gekomen. Psychologen zijn begonnen met les geven binnen het architectuur curriculum van opleidingen, waarna studenten de ideeën hebben overgenomen en hebben uitgevoerd in de praktijk. Behavioral programming (vaststellen van benodigdheden van gebruikers) en post-occupation onderzoek (analyseren in welke mate een omgeving de gebruiker steunt nadat het in gebruik is genomen) wordt uitgevoerd, maar vooral door architecten en niet door psychologen.

De droom is misschien naïef, maar voor Nederland nog steeds actueel. Er is wel een langzame kentering te zien in het besef dat bouwen met de gebruiker in het achterhoofd belangrijk is voor het welzijn en het slagen van een project, maar in de praktijk word nog suboptimaal gebruik gemaakt van beschikbare wetenschappelijke kennis. Dit komt o.a. door het missen van een platform waar kennis en ervaring over de relatie tussen gedrag en ontwerp centraal bij elkaar kan komen: Een organisatie waar best practise, evaluaties van ontwerpopgaven en methodiek wordt verzameld en verspreid over de ontwerpgemeenschap.

Een andere oorzaak is de focus op de toekomst en het verleden, maar niet het heden. Gebouwen worden zelden beoordeeld op de utiliteit voor gebruikers op dit moment. Concepten worden vaak opgeleverd met een beschrijving wat het zou kunnen opleveren voor de gemeenschap. Onderzoek of deze voorspelling uitkomt wordt niet vaak gedaan. Het zou verstandig zijn als wij, de architectuur gemeenschap, meer terug gaan kijken in het verleden en systematisch het programma van eisen en ontwerpconcepten evalueren t.o.v. huidige ervaringen. Dit leidt tot een groei van kennis.

Waarom komt de integratie tussen gedragswetenschappen en architectuur toch zo moeilijk op gang? Sommer zelf beschrijft vrij treffend dat dit komt door een kloof in denkcultuur. In de woorden van Sommer: architecten gebruiken woorden om beelden te versieren. Het visuele denken van de architect contrasteert sterk met het abstracte, analytische denken van een sociale wetenschapper. De leek, ongeïntroduceerd in de denkwijze van de architect, wacht ongeduldig op een boodschap die de beelden van de architect verduidelijkt of illustreert, zonder zich te realiseren dat de beelden zelf de boodschap zijn.

Opmerkelijk blijft dat op het gebied van constructie en materiaalkunde architecten veel samen werken met ingenieurs en systematisch wetenschappelijk onderzoek uitvoeren. Op het gebied van gedrag blijft echter de overheersende tendens: gebruik intuïtie, anekdotes en spontane observatie, maar geen methodologisch uitgevoerd onderzoek. Gelukkig zien we bijvoorbeeld op de TU Delft en in Eindhoven vanuit academische interesse veel onderzoek, en ook bij onderzoek bureaus in Nederland gespecialiseerd in takken zoals kantoorbouw, veiligheid en medische zorg. Maar de echte doorbraak moet liggen in de architecten bureaus zelf.

Een belangrijk instrument is hiervoor het programma van eisen. Een programma van eisen zou eigenlijk meer moeten zijn dan een technische opsomming van het aantal vierkante meters. Een PvE moet eigenlijk, in de woorden van Sommers, een filosofische analyse zijn, een visie op waar het gebouw moet staan en wat het moet bereiken. Deze visie kan vervolgens worden uitgewerkt in concrete gedragsdoelstellingen, waarmee een ruimtelijke strategie wordt opgesteld en focus gebieden voor ontwerp worden bepaald. De strategie wordt vertaald in concepten en ontwerpdetail, en constant geëvalueerd bij de doelgroep die het gebouw moet dienen. Door ook na oplevering het gebouw te toetsen, en deze kennis openbaar te stellen voor andere bureaus, kunnen we komen tot een situatie waarbij de gebruiker echt centraal komt en waarin ontwerp evolueert naar betere omgevingen, in plaats van voortbeweegt op de mode van de dag.

 

Eerdere posts: | making cities | red de omgevingspsychologie |

Notes on Environment 2.0: #5 regenboog kleuren in NS stations

Mirjam Galetzka (Universiteit Twente) gaf een leuke en inspirerende presentatie van onderzoek uitgevoerd samen met Ad Pruyn en Mark van Hagen over de invloed van gekleurd licht op de ervaring en tevredenheid voor gebruikers van Station Leiden. Het onderzoek laat zowel zien dat dat interventies ook voor grotere groepen mensen zinvol kunnen zijn.

 

Read More

De pessimistische ontwerper

De omgevingspsychologie is een sterk toegepast onderzoeksveld waarin data en informatie wordt verzameld waarmee theorieën kunnen worden geformuleerd over de interactie tussen de mens en de omgeving. Het is daarom niet verbazingwekkend dat een omgevingspsycholoog regelmatig in contact komt met ontwerpers. Wij kunnen immers kennis en inzichten aanleveren die de effectiviteit van o.a. gebouwen kan verbeteren.

Deze interactie gaat vaak niet natuurlijk. Bij relatief makkelijk te identificeren fysieke factoren zoals o.a. temperatuur, luchtvochtigheid, geluidsniveau en lichtsterkte ontstaat is er vaak wel een dialoog tussen ontwerpers en wetenschappers waarbij er een zekere mate van wederzijds respect is en kennis met ideeën kan worden uitgewisseld. Maar zodra de discussie zich ontwikkelt naar een niveau waarbij het aantal variabelen toeneemt en het abstractie niveau stijgt merk ik dat het pessimisme en het ongeloof van het nut van onderzoek naar gedrag bij de ontwerper groter wordt.  Hoe komt dit?

Read More