Navigeren in de gebouwde omgeving deel 3/4: Perceptie

In deel drie van het vierluik over navigeren in de gebouwde omgeving bekijken de perceptie van de omgeving. We vragen ons hierbij af hoe de omgeving het wayfinding proces beïnvloedt. Deel drie is is opgesplitst in twee helften. In de eerste helft wordt de structuur van gebouwen behandeld. Hieronder vallen complexiteit en visuele toegang, twee van de drie onderdelen van leesbaarheid, een begrip wat na de knip wordt geïntroduceerd. In de tweede helft komt differentiatie aan de orde, het derde onderdeel van leesbaarheid.

Dit deel is opgebouwd n.a.v. de term ‘leesbaarheid’. Leesbaarheid verwijst naar elementen in de omgeving die het cognitieve proces van wayfinden ondersteunen. Drie kenmerken zijn hierbij van belang: complexiteit, visuele toegang en differentiatie (Gärling, Säisä, Böök, & Lindberg, 1986; Abu-Ghazzeh, 1996). Complexiteit heeft betrekking op de hoeveelheid en moeilijkheid van de informatie. De vorm van een gebouw is hierbij van belang. Visuele toegang gaat over het gemak waarmee verschillende delen van een omgeving integreerbaar zijn vanuit verschillende locaties. Differentiatie refereert aan de mate waarin onderdelen van de omgeving hetzelfde eruitzien of verschillend zijn. Lage complexiteit, goede visuele toegang en een hoog niveau van differentiatie zorgt voor een betere leesbaarheid.

 

Structuur

In deze eerste paragraaf kijken we naar de structuur van gebouwen. We besteden hierbij aandacht aan twee onderdelen van leesbaarheid: complexiteit en visuele toegang. Deze vallen onder de structuur van een gebouw omdat ze onlosmakelijk verbonden zijn met hoe een gebouw is opgezet, in tegenstelling tot hoe een gebouw is aangekleed.

Complexiteit

Complexiteit gaat over de scheiding tussen de werkelijke vorm van een gebouw, en wat mensen waarnemen vanuit een punt in de ruimte (Werner & Long, 2003). Een plattegrond met een betrekkelijk simpel geometrisch plan (bijvoorbeeld een cirkel) kan toch complex zijn om in te navigeren. Dit komt omdat het begrip wat iemand heeft over een gebouw niet hetzelfde is als een optelsom van het aantal paden of knooppunten. Zowel het gemak waarmee iemand de vorm kan waarnemen, als de objectieve complexiteit gemeten uit het aantal paden en knooppunten, draagt bij aan de complexiteit van de omgeving (Jansen-Osmann, Schmid & Jeil, 2007).

Figuur 1 illustreert de combinatie van waarneming en objectieve complexiteit met twee plattegronden en kijkpunten. Beide plattegronden hebben dezelfde complexiteit in termen van het aantal gangen en knooppunten. Toch lijkt de linker plattegrond minder complex door de herkenbaarheid van de letters. Voor een persoon die navigeert zonder een vooraf opgebouwd overzicht van het gebouw hebben beide omgevingen dezelfde complexiteit. Zodra de spatiële kaart is opgebouwd wordt de linker plattegrond minder complex, omdat de vorm herkenbaar is.

Figuur 1: De bovenkant laat het vloerplan zien van een gebouw, de onderkant de 3d weergave van binnenuit. Het linker gebouw is minder complex door de herkenbare letters in de vorm. Het aantal knooppunten en paden zijn echter gelijk. Zowel het gemak waarmee een vorm kan worden waargenomen als het aantal paden en knooppunten bepaalt dus de complexiteit van een gebouw (Werner & Long, 2003)


Complexiteit wordt dus bepaald door het aantal paden en knooppunten en het gemak waarmee de vorm van een gebouw kan worden herkend. Door paden en knooppunten in een herkenbaar systeem te integreren wordt voor een beter overzicht gezorgd, en een sterkere koppeling tussen waarneming en de spatiële kaart (Werner & Long, 2003). Om deze reden is een symmetrische plattegrond makkelijker te leren dan een asymmetrische plattegrond (Baskaya, Wilson, & Özcan, 2004). Complexiteit heeft ook sterk te maken met visuele toegang. Wat visuele toegang betekent wordt uiteengezet in de volgende subparagraaf.

Visuele toegang

Visuele toegang is sterk afhankelijk van iets wat de ‘uitlijning’ van de plattegrond wordt genoemd. Uitlijning betekent de mate waarin een gebouw is geplaatst op de lijnen van een assenstelsel. Een gebouw met haaks op elkaar staande paden heeft een goede uitlijning. Als de paden schots en scheef lopen is er sprake van een slechte uitlijning.

Het punt waar vaak met wayfinding wordt begonnen, bijvoorbeeld de entree of de lift, moet net als de gangen op een lijn liggen in een assenstelsel. Een lift die bijvoorbeeld gedraaid is vormt geen goed startpunt. In dit geval moet de gebruiker bij het navigeren zich eerst bewust worden dat hij niet op een lijn met de plattegrond staat. Dit betekent dat de opbouw van de spatiële kaart direct moet worden gedraaid, wat het wayfinden moeilijker maakt.

Werner en Schindler (2004) hebben onderzoek gedaan hoe uitlijning van gebouwen het vermogen om te kunnen navigeren beïnvloedt. Vier verschillende digitale 3-D omgevingen werden gecreëerd. De vloerplannen van de omgevingen verschilden onderling op hoe de lift gepositioneerd was in de plattegrond en hoe de hoeken waren vormgegeven. De lift kon of uitgelijnd liggen met het gebouw of 45 graden gedraaid. De hoeken waren recht of ‘afgeknipt’, zie figuur 2. De opdracht voor de deelnemers bestond uit een wayfindingtaak en een aanwijstaak. In de wayfindingtaak werden de deelnemers gevraagd om in 30 pogingen verschillende locaties zo snel mogelijk te bereiken. In de aanwijstaak moesten de deelnemers verschillende locaties aanwijzen. Beide opdrachten werden gestart vanaf de lift.

Figuur 2: De vier plattegronden gebruikt in het onderzoek van Werner en Schindler (2004).De lift, steeds in het midden bovenaan de plattegrond, kon of gedraaid staan of recht t.o.v. de plattegrond. De hoeken waren of recht of afgeknipt. De twee plattegronden aan de rechter kant zijn goed uitgelijnd.

 

De resultaten uit het onderzoek tonen het belang van een goede uitlijning aan. Een verdraaide lift en afgeknipte hoeken zorgen ervoor dat mensen langer doen over het vinden van een locatie. Dezelfde factoren hebben ook invloed op de correctheid waarmee mensen locaties kunnen aanwijzen op een plattegrond (Werner & Schindler, 2004). De indeling van een gebouw moet dus zo veel mogelijk een patroon herbergen wat de gebruiker snel kan waarnemen. Dit vermindert de cognitieve belasting en maakt het creëren van een cognitieve kaart makkelijker. Een patroon met weinig verrassingen waaruit de structuur van de plattegrond helder naar voren komt heeft daarom een goede visuele toegang (Raubal & Winter, 2002).

 

Differentiatie

In de vorige paragraaf hebben we gekeken naar de structuur van een gebouw. In deze paragraaf gaan we het hebben over de identiteit van regionen en knooppunten. Het gaat hierbij om de aankleding van een gebouw.

Bij een gebouw met een lage complexiteit en een goede uitlijning is het makkelijker om een overzicht te vormen van het gebouw. Maar als verschillende onderdelen van een gebouw niet te onderscheiden zijn van elkaar ontstaat er verwarring en worden omgevingen door elkaar gehaald. Dit is de reden waarom gebouwen een hoge mate van differentiatie moeten hebben. Omgevingen die meer van elkaar verschillen in aankleding zijn makkelijker te herkennen en te positioneren op een cognitieve kaart.

Bewijs voor het belang van een hoog niveau van differentiatie komt voort uit een experimenteel onderzoek van Baskaya, Wilson en Özcan (2004) in twee ziekenhuizen in Turkije. Zij bekeken de kwaliteit van spatiële kaarten door na een vrije rondleiding van 30 minuten de deelnemers te vragen om een kaart te tekenen van een van beide ziekenhuizen. Tegelijkertijd werd door middel van een vragenlijst gevraagd naar de ervaring van de deelnemers tijdens de rondleiding. De twee ziekenhuizen verschilden sterk van elkaar in de mate van symmetrie van de plattegrond en de differentiatie van de inrichting. Deelnemers konden makkelijker een kaart teken van het ziekenhuis met de symmetrische plattegrond, maar voelden zich minder verdwaald in het ziekenhuis waarin veel afwisseling was in de inrichting. De verschillen in inrichting van dit laatste ziekenhuis gaven knooppunten en districten een eigen identiteit wat het navigeren verbetert.

Vermoedelijk worden de effecten van complexiteit, uitlijning en identiteit veroorzaakt doordat abstracte informatie verbonden is met concrete informatie. Dit idee sluit aan bij hoofdstuk één waarin we lazen dat lokale en globale informatie niet los van elkaar bestaat. Er wordt tegelijkertijd bij het vormen van een algemeen overzicht ook gedetailleerde informatie opgeslagen. Regelmatige en symmetrische patronen in de omgeving zijn makkelijker op te slaan en te activeren in het geheugen, en zijn daardoor ook beter om spatiële kaarten van te creëren die helpen bij het navigeren. Een goed algemeen overzicht is echter niet genoeg om een duidelijk beeld te krijgen welk pad op een kruispunt te kiezen. Er moet ook een mogelijkheid zijn voor grafische differentiatie om de juiste richting te herkennen. Om betrouwbaar te beslissen welke afslag of route te nemen naar de bestemming moeten plattegronden van gebouwen dus zowel een herkenbare structuur alsmede een gedifferentieerde identiteit hebben (Abu-Obeid, 1998; Lynch, 1960).

Dit vormt het einde van deel drie over de perceptie van de omgeving bij wayfinding. We hebben in dit deel kennis gemaakt met de drie onderdelen van leesbaarheid. Door de complexiteit van gebouwen te verlagen, de visuele toegang te verhogen en de differentiatie toe te laten nemen wordt het voor gebruikers makkelijker om cognitieve kaarten op te bouwen en deze te gebruiken om te navigeren. In het volgende en laatste deel gaan we verder met verschillende modellen die het wayfindingproces proberen te beschrijven en te voorspellen.

Figuur 2.1 illustreert de combinatie van waarneming en objectieve complexiteit met twee plattegronden en kijkpunten. Beide plattegronden hebben dezelfde complexiteit in termen van het aantal gangen en knooppunten. Toch lijkt de linker plattegrond minder complex door de herkenbaarheid van de letters. Voor een persoon die navigeert zonder een vooraf opgebouwd overzicht van het gebouw hebben beide omgevingen dezelfde complexiteit. Zodra de spatiële kaart is opgebouwd wordt de linker plattegrond minder complex, omdat de vorm herkenbaar is.

Posted by Wouter Tooren

Ik ontwikkel en analyseer gebruikerservaringen in de architectuur. Psycholoog, ontwerper, oprichter van Eyckveld. Liefhebber van goede koffie.

  1. That is truly a fairly simple cape to make, it’s unlined however
    has some self facings within the front of the cape with needed some hand sewing however all
    in all it’s an easy to comply with sample with clear directions.
    Step 1: Our inspiration skirt is the Firefleur Maxi Skirt from Anthropologie.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *