Omgevingspsychologie: lopen we in cirkels?

Hoe ver zijn we gekomen met de omgevingspsychologie? Kunnen we iets leren uit het verleden of maakt het ons alleen maar depressief?

Ik herlas vorige week stukken uit het boek van Robbert Sommer: Personal Space. Personal Space is een belangrijk boek over user de toepassing van user centred design bij het ontwerpen van publieke gebouwen. Het boek beschrijft de relaties tussen afstand en gedrag. Een belangrijk idee in het boek is bijvoorbeeld het concept van de ruimtelijke bubbel die mensen om zich heen hebben. Mensen voelen zich prettig bij verschillende afstanden tussen elkaar. Bij kleinere of grotere afstanden dan dit optimum creëert dit gevoelens van opwinding en stress. Bij de laatste editie van het boek zijn een serie introducties opgenomen om nieuwe inzichten van de auteur te plaatsen bij de originele ideeën beschreven in het boek. Een van deze inzichten gaat als volgt:

My naive dream, shared by many others at the time, was that every large design office would have a psychologist on staff or as a consultant, and this would provide behavioural input on projects along with jobs for environmental psychologists.

Hij vervolgt met een beschrijving dat deze droom gedeeltelijk is uit gekomen. Psychologen zijn begonnen met les geven binnen het architectuur curriculum van opleidingen, waarna studenten de ideeën hebben overgenomen en hebben uitgevoerd in de praktijk. Behavioral programming (vaststellen van benodigdheden van gebruikers) en post-occupation onderzoek (analyseren in welke mate een omgeving de gebruiker steunt nadat het in gebruik is genomen) wordt uitgevoerd, maar vooral door architecten en niet door psychologen.

De droom is misschien naïef, maar voor Nederland nog steeds actueel. Er is wel een langzame kentering te zien in het besef dat bouwen met de gebruiker in het achterhoofd belangrijk is voor het welzijn en het slagen van een project, maar in de praktijk word nog suboptimaal gebruik gemaakt van beschikbare wetenschappelijke kennis. Dit komt o.a. door het missen van een platform waar kennis en ervaring over de relatie tussen gedrag en ontwerp centraal bij elkaar kan komen: Een organisatie waar best practise, evaluaties van ontwerpopgaven en methodiek wordt verzameld en verspreid over de ontwerpgemeenschap.

Een andere oorzaak is de focus op de toekomst en het verleden, maar niet het heden. Gebouwen worden zelden beoordeeld op de utiliteit voor gebruikers op dit moment. Concepten worden vaak opgeleverd met een beschrijving wat het zou kunnen opleveren voor de gemeenschap. Onderzoek of deze voorspelling uitkomt wordt niet vaak gedaan. Het zou verstandig zijn als wij, de architectuur gemeenschap, meer terug gaan kijken in het verleden en systematisch het programma van eisen en ontwerpconcepten evalueren t.o.v. huidige ervaringen. Dit leidt tot een groei van kennis.

Waarom komt de integratie tussen gedragswetenschappen en architectuur toch zo moeilijk op gang? Sommer zelf beschrijft vrij treffend dat dit komt door een kloof in denkcultuur. In de woorden van Sommer: architecten gebruiken woorden om beelden te versieren. Het visuele denken van de architect contrasteert sterk met het abstracte, analytische denken van een sociale wetenschapper. De leek, ongeïntroduceerd in de denkwijze van de architect, wacht ongeduldig op een boodschap die de beelden van de architect verduidelijkt of illustreert, zonder zich te realiseren dat de beelden zelf de boodschap zijn.

Opmerkelijk blijft dat op het gebied van constructie en materiaalkunde architecten veel samen werken met ingenieurs en systematisch wetenschappelijk onderzoek uitvoeren. Op het gebied van gedrag blijft echter de overheersende tendens: gebruik intuïtie, anekdotes en spontane observatie, maar geen methodologisch uitgevoerd onderzoek. Gelukkig zien we bijvoorbeeld op de TU Delft en in Eindhoven vanuit academische interesse veel onderzoek, en ook bij onderzoek bureaus in Nederland gespecialiseerd in takken zoals kantoorbouw, veiligheid en medische zorg. Maar de echte doorbraak moet liggen in de architecten bureaus zelf.

Een belangrijk instrument is hiervoor het programma van eisen. Een programma van eisen zou eigenlijk meer moeten zijn dan een technische opsomming van het aantal vierkante meters. Een PvE moet eigenlijk, in de woorden van Sommers, een filosofische analyse zijn, een visie op waar het gebouw moet staan en wat het moet bereiken. Deze visie kan vervolgens worden uitgewerkt in concrete gedragsdoelstellingen, waarmee een ruimtelijke strategie wordt opgesteld en focus gebieden voor ontwerp worden bepaald. De strategie wordt vertaald in concepten en ontwerpdetail, en constant geëvalueerd bij de doelgroep die het gebouw moet dienen. Door ook na oplevering het gebouw te toetsen, en deze kennis openbaar te stellen voor andere bureaus, kunnen we komen tot een situatie waarbij de gebruiker echt centraal komt en waarin ontwerp evolueert naar betere omgevingen, in plaats van voortbeweegt op de mode van de dag.

 

Eerdere posts: | making cities | red de omgevingspsychologie |

Posted by Wouter Tooren

Ik ontwikkel en analyseer gebruikerservaringen in de architectuur. Psycholoog, ontwerper, oprichter van Eyckveld. Liefhebber van goede koffie.

  1. This is way better than a brick & mortar esiaeltshmbnt.

    Beantwoorden

  2. Hola Cynthia. Tenemos una clínica en Escazú donde te podemos ayudar con los capilares. Nosotros aplicamos tratamiento láser en sesiones de hasta 60 disparos. Por la compra de 3 sesiones te regalamos la cuarta.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *