Parklandschap en gevoelens van veiligheid

Parklandschap en gevoelens van veiligheid

Space en Culture publiceerde onlangs een overzichtelijk artikel van Erin Despard over de rol van planten in de beleving van veiligheid. Despard beschrijft hierin de rol van landschapsarchitectuur bij het ontwerpen van publieke ruimtes die een veilig gevoel geven aan de gebruiker. Specifiek heeft hij het over CPTED technieken bij het toevoegen van planten in parken. CPTED staat voor Crime Prevention Through Environmental Design en is een onderzoek en ontwerp techniek voor het invoeren van veiligheidsmaatregelen zonder dat ze enorm opvallen in het terrein, een bekend voorbeeld zijn de betonnen plantenbakken als barrière tegen ramkraken of aanslagen zoals op Konginnedag 2009. Ze zijn er neergezet als specifiek veiligheidsmiddel maar vallen niet op door hun vriendelijk gemaakte vormgeving.

Erin Despard haalt John Dixon Hunt aan die een ontworpen landschap beschrijft als een ‘art of milieu’, waarmee John Dixon Hunt bedoelt dat de omgeving niet alleen een combinatie van fysieke factoren vormt maar de omgeving ook de inscriptie draagt van wat de samenleving vindt waarvoor de omgeving dient te bestaan. Planten, zo zegt Erin Despard, dragen dezelfde inscriptie. Planten in een park communiceren de staat van de natuur, bijvoorbeeld weer of seizoen, maar ook de mate waarin de mens geïntervenieerd heeft in de omgeving. Een parkontwerp is dus ook een boodschap.

Planten en ander groen hebben een psychologische en sociale voordelen. Psychologische voordelen bestaan o.a. uit de reductie van stress en de mogelijkheid voor mensen om te ontspannen en nieuwe energie op te doen voor het dagelijkse bestaan. Het brengt ook mensen samen en nodigt mensen uit om activiteiten te ontplooien binnen de openbare ruimte. Dit is bevorderend voor het sociale leefklimaat in de stad. Al deze voordelen kunnen echter pas worden overgebracht als onze parken goed worden onderhouden. Zonder onderhoud hebben parken zelfs een negatieve invloed op onze leefomgeving, aldus Despard.

Dit komt door de inscriptie van de omgeving. Het aanzicht van wildgroei en slecht onderhouden tuinen zorgt voor angstgevoelens in het stadslandschap doordat het emoties oproept van verwaarlozing, chaos en de wildgroei goede potentiele schuilplekken zijn voor criminelen, kinderlokkers en verkrachters. Despard draait vervolgens deze relatie om: doordat planten van nature zich wild gedragen communiceert een goed onderhouden stadspark aan de gebruiker dat er door mensen wordt geïntervenieerd en dat de omgeving onder controle wordt gehouden. Dit zou criminaliteit kunnen ontmoedigen en de gebruiker een veilig gevoel geven. Despard beschrijft twee soorten technieken binnen CPTED om deze boodschap te communiceren: zichtbaarheid en leesbaarheid.

Bij zichtbaarheid draait het vooral om planthoogte: het wordt geadviseerd om alleen planten te gebruiken met een hoogte groter dan 2.50 of lager dan 1.00 meter. Dit houdt een middenkader vrij waardoor mensen in staat blijven om de rest van het landschap te kunnen overzien (natural surveillance). Een alternatief is om planten te nemen die sterk worden getrimd waardoor het mogelijk is om door de planten heen te kijken.

De zichtbaarheid die deze interventie oplevert zorgt voor meer openheid in het parklandschap, maar draagt ook bij aan minder zogenaamde defensible space. Defensible space is ruimte waarin mensen zich letterlijk kunnen verdedigen t.o.v. een indringer, bijvoorbeeld door middel van muren. Bosjes en ander dicht struikgewas kan worden getypeerd als defensible space. Door dit te beperken daalt de mogelijkheden om je terug te trekken en om ongestoord je ding te kunnen doen, maar de openheid zorgt wel voor een veiliger gevoel omdat dezelfde defensible space niet kan worden gebruikt door bijvoorbeeld een struikrover om je te overvallen. Je ziet immers de rover al van ver aankomen; het verrassingseffect is weg. Het woord struikrover impliceert ook het gebruik van natuur door een rover om zich onzichtbaar te maken tot het punt waarbij hij over kan gaan tot de aanval.

Aan de andere kant is het vaak ook de meer ‘gemarginaliseerde’ leden van de maatschappij die gebruik maken van dit soort omgevingen, beschrijft Despard zeer treffend. Denk aan waar de drugs gebruikers, de alcoholisten of de zwervers zich het meest ophouden in het park: dit is meestal een wat afgelegen, beschutte plek. Een meer open structuur zorgt bij hen niet tot een veiliger gevoel maar maakt hen juist kwetsbaarder. Dit is ook waar CPTED het om te doen is: het voorkomen van overlast door zaken die we als ongewenst beschouwen zoals hangjongeren, openbaar dronkenschap, seksuele handelingen etc. Tegelijkertijd stelt Despard, is het ontwerpen van parken zo een manier om sociale exclusie van groepen te naturaliseren.

De tweede manier om een gebruiker van een park een veilig gevoel te geven is door de leesbaarheid van de omgeving te verhogen. De leesbaarheid van een omgeving is het niveau waarin de omgeving uitstraalt aan de gebruiker waarvoor zij bestaat en welke activiteiten erin kunnen worden voltooid. In parken, verteld Despard, communiceren planten waar toeging wordt getolereerd en waar het niet gewenst is. Planten markeren grenzen tussen ruimte, initiëren toegang en uitgang punten in de omgeving en tonen paden voor beweging. Mensen die niet houden aan deze ‘regels’ vallen op in het landschap. Dit vraagt wel dat het park consistent en regelmatig wordt onderhouden.

Doordat deze plantregels er zijn voelen we sneller aan of iets okay is of niet. Het schept orde in het park, definieert grenzen waaraan we ons zouden moeten houden. Het is bijvoorbeeld geaccepteerd om ‘dwars door de natuur’ een grasveld over te steken. Maar als iemand op dezelfde manier dwars door bomen en struikgewas trekt valt het ons op. Dit individu overtreed dan de regels: de paden geven aan waar je dient te lopen, dwars door de bosjes gaan is afwijkend en verdacht. Deze ordeschepping maakt het makkelijker voor ons om de omgeving te overzien. We hoeven daardoor minder waakzaam te zijn, vooral als dit gecombineerd is met de lange zichtlijnen.

Despard eindigt zijn artikel met een interessante waarschuwing: de ontwerpers van parken richten zich steeds meer op veiligheid en welzijn. Hier huist een interessante tegenstelling, namelijk het idee dat door innovatief ontwerp (o.a. toepassing van omgevingspsychologie) we ideale omgevingen kunnen maken zonder de sociale orde te verstoren. Dat kan niet: we kunnen voor veiligheid en well-being ontwerpen, maar in het proces zoeken we ook uit wie er van kan genieten, en wie niet. Dit is een bredere maatschappelijke kwestie en niet alleen op het gebied van parkontwerp: denk aan de mosquito om hangjongeren te verjagen. Mag je ontwerpen om een specifiek afgebakende groep mensen te benadelen?

De angst van Despard is dat de manier waarop omgevingen in het verleden werden gemaakt richtlijnen geven in de toekomst over welke omgevingen ons een goed, vertrouwd gevoel geven. Dit kan verdere benadeling of uitsluiting van bevolkingsgroepen legitimeren. Of dit uitkomt is nog maar de vraag, hoe over ontwerpen wordt nagedacht is net zo goed een product van de geschiedenis als een product van onze huidige cultuur, die constant in beweging is. Maar het brengt ons wel op een interessante patstelling: ontwerpen vanuit een user centred filosofie betekent immers dat ‘niet centred users’ buiten het net vissen. Wie deze gebruikers zijn wordt eigenlijk zelden belicht.

Link naar het originele artikel van Despard.

Eerdere posts: | Eindpresentatie project: Supportive Office Lay-outs for knowledge workOmgevingspsychologie: lopen we in cirkels? |  making cities |

Posted by Wouter Tooren

Ik ontwikkel en analyseer gebruikerservaringen in de architectuur. Psycholoog, ontwerper, oprichter van Eyckveld. Liefhebber van goede koffie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *