We ervaren de invloed van de omgeving niet altijd. Waarom?

In volume ontvangt de invloed van omgevingen op sociaal gedrag veel minder aandacht dan bijvoorbeeld eigenschappen van mensen. Waarom is dit eigenlijk zo? In deze post kijken we hiernaar. We gebruiken de context van de kantooromgeving als voorbeeld. Twee argumenten worden uiteengezet: onderzoekstradities en moeilijkheden in onze perceptie.

Hawthorne Works.

Een reden waarom ontwerpen minder aandacht krijgt is dat het in het verleden erg lastig bleek om omgevingsfactoren te isoleren van andere invloedsfactoren op gedrag. In de 1920s werd een serie observaties uitgevoerd door Elton Mayo en collega’s bij de Hawthorne Works, een fabriekscomplex van de Western Electric Company in de VS. Het doel van de onderzoeken was om de relatie tussen de fysieke omgeving en de productiviteit proberen te onderzoeken.

Er werd geëxperimenteerd met verschillende licht intensiteit, want het was de hypothese van de onderzoekers dat dit wel eens tot een hogere productiviteit kon leiden. Tot hogere productiviteit leed het inderdaad, maar helaas niet perse door de lichtinval. Het bleek dat andere, meer sociale oorzaken de uitkomsten van het onderzoek medieerden. Niet licht bleek de productiviteit echt te beinvloeden, maar de speciale aandacht die de werkers kregen door de observaties van onderzoekers. De werknemers voelden zich geflatteerd, wat niet eens gek is als we stil staan bij het feit dat in deze tijd wetenschappers en hoogleraren een nog hogere status hadden dan nu.

Dit effect wordt sindsdien het Hawthorne effect genoemnd en leed tot een radicale vermindering in de interesse over de relatie tussen omgeving en gedrag van o.a. arbeiders. Het optimalisseren van deo omgeving werd als minder effectief gezien dan het optimaliseren van de sociale kant van werk.

Western Electric Company (photo from the Hawthorne works blog)

 

Correspondance bias.

Een andere reden ligt in het feit dat we niet direct kunnen waarnemen hoe onze omgeving ons gedrag beinvloedt. Dit komt door een vorm van correspondance bias, een theorie uit de sociale psychologie die het fenomeen bescrhijft dat observatoren soms gedrag verwijten aan de persoon die het gedrag uitvoert, en hierbij de externe krachten die dit gedrag mischien hebben ontlokt negeren.

Een voorbeeld: wanneer een collega koffie morst op enkele belangrijke papieren kunnen we de neiging voelen om te deze persoon uit te maken voor onzorgvuldig, terwijl het morsen van de koffie mischien beter verklaarbaar is door een onhandig ontwerp van het koffie kopje.

Heider, een belangrijk sociaal psycholoog, identificeerde deze tendentie als gevolg van het feit dat het gedrag ons het meest in het oog springt. Hij noemde dit: behavior engulfs the field. We kunnen snel het gedrag waarnemen, maar de mogelijke externe factoren niet, hierdoor maken we een attributie fout waarbij het gedrag weiten aan mogelijke stabeiele facotren in de veroorzaker zelf.

Binnen een omgeving, bijvoorbeeld een kantoor, ontstaan vergelijkbare processen. Het gedrag van een medewerker op een kantoor is makkelijk zichtbaar, maar de subtiele maineren waarop het gebouw ons gedrag beinvloedt niet. Daarom attribueren we het gedrag van collega’s aan de persoon en negeren we het gebouw. Pas wanneer we van omgeving verandweren terwijl we de sociale context gelijk houden hebben we de mogelijkheid om te ervaren hoe de omgeving ons werkelijk verandert.

Wat we nodig hebben zijn metingen en meetinstrumenten.

De meeste mensen kunnen het onderscheid goed maken tussen of iemand zich gedraagt op een manier ingegeven door de context of door de persoonlijkheid. Dit leidde tot een basis uitspraak in de sociale attributie theorie: wanneer een gedrag voorkomt in de nabijheid van een voldoende duidelijk facilitaire kracht, dan zal een observator niet tot de veronderstelling komen dat de oorzaak van het gedrag ligt in stabiele persoonlijkheidstrkken van de uitvoerder.

We kunnen geen onomstreden uispraken doen over het functioneren en de mogelijkheden van een individu als er duidelijke beperkende of faciliterende variabelen aanwezig zijn. Anders gezegd: gedrag zal neit worden uitgelegd met disposities als het ook kan worden uitgelegd door de situatie. Deze logische wetmatigheid is geintroduceerd door Jones en Davis als het zogenaamde noncommon effect.

 

Kelly, een andere sociale psycholoog, werkte dit idee later uit tot het discounting principe, dat obserbatoren waarschuwd om niet een effect te attribueren aan een specifiecke causale oorzaak (persoonlijkheid) als een andere plausible causale oorzaak ook tegelijkertijd aanwezig is (de omgeving). Dit leid tot een dilemma, want omdat het lastig is om de invloed van de omgeving waar te nemen, weten we niet wanneer we nu wel en wanneer nu niet het discounting principe optreed. Wat we dus nodig hebben zijn effectieve manieren om tegelijkertijd sociaal gedrag en de omgeving te meten.

Interieur van het Johnson Wax hoofdkwartier

Een nieuwe trend is zichtbaar.

Momenteel raakt de omgeving meer in de belangstelling. Organisaties realiseren zich dat de omgeving een strategische rol kan spelen in de bedrijfsvoering. Mede dankzij de invoering van meer en meer betrouwbare meetinstrumenten zoals de WODI van het CfPB voor kantooromgeivngen raken organisaties overtuigd dat er reiele winst uit de omgeving kan worden gehaald. Een trend is zichtbaar waarbij organisaties het ontwerp van de werkomgeving zien als een strategisch middel om de eigen cultuur en identiteit te bewaken, en commitment en productiviteit van werknemers te managen.

Terugkijken is deze trend helemaal te herleiden tot de opening van het SC Johnson Wax administratie genouw in 1939, in Racine Wisconsin, USA. Dit gebouw, ontworpen door Frank Lloyd Wright, werd opgezet met de functionaliteit en leefbaarheid van haar gebruikers in het achterhoofd. Voor de uitvoering van het ontwerp bestudeerde Wright het gedrag van de werknemers en de organisatie cultuur van de opdrachtgever, om het gebouw zo goed mogelijk bij haar bestemming te laten aansluiten.

Het resultaat is een licht, transparant gebouw, met frisse licht, binnenplanten en geluid reducerende platen. Het was het eerste gebouw ontworpen rond de arbeider, door eenvoudige toeging te regelen voor communicatie, en door de sociale context van kantoorwerk te erkennen. Het leverde de opdrachtgever enorme economische voordelen op. Johnson Wax, het bedrijf dat het ontwerp liet vervaardigen, schatte een 25% toename in winsten na opleveribng door betere efficientie van werknemers en een gereduceerd personeelsverloop. Het is een mooi illustrerend voorbeeld wat investeren in onderzoek over de relatie tussen omgeving en gedrag de organisatie kan opleveren.

Posted by Wouter Tooren

Ik ontwikkel en analyseer gebruikerservaringen in de architectuur. Psycholoog, ontwerper, oprichter van Eyckveld. Liefhebber van goede koffie.

  1. Paul van Doorn 4 maart, 2012 at 12:35

    Dag Wouter,
    Een interessante insteek. Bij architecten heeft door de eeuwen heen, ook steeds de vraag gespeeld in hoeverre architectuur invloed heeft, en dus sturend kan zijn, op het gedrag van mensen.
    Ik denk daarbij aan bijvoorbeeld de ‘kasteelwoningblokken’ als de KarlMarxhof in Wenen en de Bijlmer.
    Hoewel je zaken natuurlijk moet plaatsen in de tijds- en cultuursfase lijkt mij het wel of niet slagen mbt de ervaring van de invloed van de omgeving te maken te hebben met respect. Respect voor de relatie tussen gebouwen en zijn omgeving. Jouw voorbeeld van Johnson Wax is door het lichtend voorbeeld van. Wellicht een interessante insteek voor een volgend onderzoek?

    Vriendelijke groet,
    Paul van Doorn, architect avb

    Beantwoorden

    1. Dag Paul,

      Dat vind ik een interessante insteek. Ik zie respect dan vooral vanuit de visie en aanpak van de opdrachtgever en de communicatie tussen architect en cliënt. De opdrachtgever zet vaak toch de cultuur uit in een organisatie. Een opdrachtgever die gebouwen beschouwt als slechts vierkante meters, een omhulsel voor de activiteiten die er plaats moeten vinden, zonder de tijd te nemen te analyseren hoe het gebouw een toegevoegde waarde kan leven aan het bereiken van de doelstellingen van de organisatie, en het initiëren en begeleiden van culturele waarden, mist denk ik veel potentieel toegevoegde waarde. Het respect voor de veelzijdigheid en utiliteit van bebouwing ontbreekt dan wellicht.

      Ook de architect speelt hierbij een belangrijke rol, want deze dient wel oog te willen hebben voor haar opdrachtgever. Dat klinkt misschien op het eerste oog als een holle leus: elke architect heeft oog voor de opdrachtgever, tot op zekere hoogte. Echter weinig architecten kunnen en willen opdrachtgevers uitdagen om het gebouw anders te zien; zich echt te verdiepen in een organisatie, in een probleemstelling, in haar activiteiten, in haar cultuur, haar geschiedenis, en vooral haar gebruikers die vaak sterk gedistantieerd zijn van de opdrachtgever zelf, denk aan management werkzaam en gehuisvest gescheiden van de productievloer. En dan vooral een analyse hanteren zonder de eigen ego op de primaire plek te zetten, bijvoorbeeld verwachten dat de oplossing ligt in ruimtelijke vormgeving, terwijl misschien de combinatie met een ander organisatiemodel betere oplossingen geeft. Dat is ook lef hebben, want ik verwacht dat de meeste opdrachtgevers binnen komen met een bepaalde insteek, die misschien niet helemaal recht doet aan de onderliggende problemen. Ik heb begrepen en ervaar dat in toegepast sociaal psychologische onderzoek bijvoorbeeld dat geen uitzondering is, eerder regel.

      Ik ben geen architect maar een psycholoog. Hoe zie jij dit?

      Vr Grt Wouter.

      Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *